knaak
mannelijk/vrouwelijk (de)/xxxx/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (numismatiek) een oud muntstuk van ƒ2.50Geef me er maar een knaak voor.
Etymologie
* Leenwoord uit het ?, in de betekenis van ‘groot muntstuk, een rijksdaalder’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1689
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek