knoop
mannelijk (de)/knop/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (textielindustrie), (scheepvaart) een vastgetrokken lus in garen, draad, koord of touw om daarin een verdikking te maken, om einden ervan aan elkaar te bevestigen of ter bevestiging aan een ander voorwerp of weefselAan beide einden van het springtouw zit een knoop zodat het niet zo gauw uit de hand zal schieten.
- (scheepvaart), (eenheid) een snelheidsmaat die in de zeevaart gebruikt wordtEen knoop is een zeemijl per uur, ongeveer 1,8 kilometer per uur.
- (textielindustrie), (kleding) een meestal schijfvormig voorwerp met draden vastgezet op een kledingstuk ter afsluiting daarvanDe knoop was van zijn blouse gesprongen.
- vloekHij legde er een knoop op.
Etymologie
* In de betekenis van ‘ronde sluiting aan kleding’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1265
Uitdrukkingen
- knoop in je zakdoek — als geheugensteuntje
- de gordiaanse knoop doorhakken — een probleem oplossen door een onverwachte maatregel
- knopen doorhakken — beslissingen nemen
- de eindjes aan elkaar moeten knopen — arm zijn
- de knopen aan zijn jas tellen — hij weet niet te kiezen, een aftelversje moet de beslissing brengen
- in de knoop zitten — een onoplosbaar probleem hebben
Vertalingen
Engelsknot, knot, button
Fransnœud, nœud, bouton
DuitsKnoten, Knoten, Knopf
Spaansnudo, nudo, botón
Italiaansnodo, nodo, bottone
Portugeesnó, nó, botão
Russischузел, клубок, узел
Chinees釦子, 扣子
Japans結び目, ノット, ボタン
Arabischزر
Turksdüğüm, deniz mili, düğme
Poolswęzeł, guzik
Zweedsknop, knut, stek
Deensknude, knob
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek