knoop

mannelijk (de)/knop/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. textielindustrie, scheepvaart (textielindustrie), (scheepvaart) een vastgetrokken lus in garen, draad, koord of touw om daarin een verdikking te maken, om einden ervan aan elkaar te bevestigen of ter bevestiging aan een ander voorwerp of weefsel
    Aan beide einden van het springtouw zit een knoop zodat het niet zo gauw uit de hand zal schieten.
  2. scheepvaart, eenheid (scheepvaart), (eenheid) een snelheidsmaat die in de zeevaart gebruikt wordt
    Een knoop is een zeemijl per uur, ongeveer 1,8 kilometer per uur.
  3. textielindustrie, kleding (textielindustrie), (kleding) een meestal schijfvormig voorwerp met draden vastgezet op een kledingstuk ter afsluiting daarvan
    De knoop was van zijn blouse gesprongen.
  4. vloek
    Hij legde er een knoop op.

Etymologie

* In de betekenis van ‘ronde sluiting aan kleding’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1265

Uitdrukkingen

  • knoop in je zakdoekals geheugensteuntje
  • de gordiaanse knoop doorhakkeneen probleem oplossen door een onverwachte maatregel
  • knopen doorhakkenbeslissingen nemen
  • de eindjes aan elkaar moeten knopenarm zijn
  • de knopen aan zijn jas tellenhij weet niet te kiezen, een aftelversje moet de beslissing brengen
  • in de knoop zitteneen onoplosbaar probleem hebben

Vertalingen

Engelsknot, knot, button
Fransnœud, nœud, bouton
DuitsKnoten, Knoten, Knopf
Spaansnudo, nudo, botón
Italiaansnodo, nodo, bottone
Portugeesnó, nó, botão
Russischузел, клубок, узел
Chinees釦子, 扣子
Japans結び目, ノット, ボタン
Arabischزر
Turksdüğüm, deniz mili, düğme
Poolswęzeł, guzik
Zweedsknop, knut, stek
Deensknude, knob