Knook

mannelijk/vrouwelijk (de)/knok/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. een been of bot in het lichaam
  2. (gewestelijk) een kwast in hout

Etymologie

*(erfwoord): Middelnederlands cnōke, cnōc(ke), ontwikkeld uit Oergermaans *knuk(k)a-, bij Indo-Europees *ǵnu- ‘knie’ en een uitgang *-gon (zoals in Deens manke ‘manen’). Evenals Nederduits Knaak, Duits Knochen en Zweeds knoka.