Knook
mannelijk/vrouwelijk (de)/knok/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- een been of bot in het lichaam
- (gewestelijk) een kwast in hout
Etymologie
*(erfwoord): Middelnederlands cnōke, cnōc(ke), ontwikkeld uit Oergermaans *knuk(k)a-, bij Indo-Europees *ǵnu- ‘knie’ en een uitgang *-gon (zoals in Deens manke ‘manen’). Evenals Nederduits Knaak, Duits Knochen en Zweeds knoka.
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek