knorrigheid
vrouwelijk (de)
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- het boos en geïrriteerd zijnDora houdt van Jochie om haar laconieke knorrigheid, afgewisseld met plotselinge aanvallen van euforie.
Etymologie
*afleiding van knorrig
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek