Dit woord is niet gevonden in de woordenlijst.
koekwous
mannelijk (de)/ˈkukwɑus/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (scheldwoord) iemand die zich dom gedraagtMarlies van der Graaf zit in haar tuin als ze een in het zwart geklede man voorbij ziet komen. Hij heeft een capuchon over zijn hoofd getrokken, zwaait zijn armen opvallend langs zijn lichaam en loopt wat voorover geboden. ,,Het was echt een koekwous.""Ik kan er toch langs. Dit is een openbare weg, man. Koekwous." In onvervalst Brabants probeert de acteur op het witte doek voorbij een agent te komen.
- (pejoratief) uitspraken waaruit domheid of gebrek aan ernst of kennis blijktHet woord ‘koekwous’ schoot me te binnen. Arnhems voor ‘dom gelul’, ook prima te gebruiken als naam voor een beweging.
Etymologie
*: "koekwouzen" zonder de uitgang -en, waarbij de slotmedeklinker stemloos wordt
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek