koffieboon
mannelijk/vrouwelijk (de)/ˈkɔfiˌbon/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (plantkunde) (gedroogde of geroosterde) vruchtenpit (zaad) van de koffieboom
- (scheldwoord) kleurling
Vertalingen
Engelscoffee bean
Fransgrain de café, fève de café
DuitsKaffeebohne
Spaansgrano de café
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek