koffieboon

mannelijk/vrouwelijk (de)/ˈkɔfiˌbon/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. plantkunde (plantkunde) (gedroogde of geroosterde) vruchtenpit (zaad) van de koffieboom
  2. scheldwoord (scheldwoord) kleurling

Vertalingen

Engelscoffee bean
Fransgrain de café, fève de café
DuitsKaffeebohne
Spaansgrano de café