kosten

meervoud/ˈkɔstə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. absol (absol) als te betalen prijs hebben
    Deze boeken kosten maar vijf euro.
    Dat heeft hem meer gekost dan hij verwacht had.
  2. absol, figuurlijk (absol) (figuurlijk) als tegenprestatie vereisen, verlies met zich meebrengen van
    Dat werk kost veel tijd, moeite en geduld.
    Deze wespensteken kosten hem zijn gezondheid.
    De tocht helemaal afmaken was volgens Josh een complete lifestyleverandering en kostte te veel tijd.
zelfstandig naamwoord
  1. geldbedrag of andere tegenprestatie voor een verkregen voorwerp of dienst of voor veroorzaakte schade

Etymologie

* "kost" met de uitgang -en

Uitdrukkingen

  • het koste wat het kost
  • koste wat het kost
  • koste wat kost
  • kost wat kost

Vertalingen

Engelscost, charge, expense
Franscoûter, couter
Duitskosten, erfordern, kosten
Spaanscostar, valer
Poolskosztować