kostuum

onzijdig (het)/kɔsˈtym/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. kleding (kleding) de kleding van iemand die bij een bepaalde activiteit, een ambt of een toneelrol hoort
    Wat een mooi kostuum heb je aan!
  2. kleding (kleding) een stel kleren, een jas, een broek en een vest voor mannen
    We moesten daar in kostuum heen.

Etymologie

*van "coutume", in de betekenis van ‘kleding, pak’ voor het eerst aangetroffen in 1799

Vertalingen

Engelscostume, outfit, suit
Franscostume
DuitsKostüm, Anzug
Spaanstraje
Russischкостюм