kraak

mannelijk/vrouwelijk (de)/krak/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. koppotigen (koppotigen) een zeemonster, waarschijnlijk de inmiddels goed gedocumenteerde reuzenpijlinktvis, dat ondanks herhaalde waarnemingen door zeelui, door wetenschap en gemeenschap als mythisch werd afgedaan
  2. koppotigen (koppotigen) , een inktvis zonder inwendig skelet
  3. zich onbevoegd toegang verschaffen tot iets
  4. scheepvaart, historisch (scheepvaart), (historisch), zeegaand zeilschip, ontwikkeld in de tweede helft van de 15e eeuw, dat veel gemeen heeft met de karveel waaruit hij is ontwikkeld
  5. scheepvaart, historisch (scheepvaart), (historisch), houten zeilschip uit de 15e-16e eeuw van de binnenwateren
  6. scheepvaart, historisch (scheepvaart), (historisch), ijzeren schip uit de 19e eeuw van de binnenwateren
  7. informeel (informeel) iets wat klinkt of voelt als een breuk
    Ik weet nog goed dat ik zijn rechterarm vasthield en bezig was om die op zijn rug te draaien. Ik had daartoe mijn linkerhand om zijn bovenarm en met mijn rechterhand zijn pols beet. Terwijl ik zijn arm omdraaide merkte ik dat hij zich verzette tegen de aanhouding. Ik voelde hem kracht zetten. Ik voelde en hoorde een kraak.

Etymologie

* Leenwoord uit het Noors, in de betekenis van ‘grote inktvis’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1870

Vertalingen

Engelskraken, heist
DuitsKrake, Gemeine Krake, Gewöhnliche Krake