kraam
/kram/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- verplaatsbare tent waarin (op markten) koopwaar of (op kermissen) vermaak wordt aangeboden
- kraambed
Etymologie
* In de betekenis van ‘tent waarin koopwaar wordt aangeboden’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1213
Uitdrukkingen
- In iemands kraam te pas komen — iets wat iemand nodig heeft
Vertalingen
Engelsbooth, stall, shed
Fransétal
DuitsBude
Spaansbarraca, puesto, tenderete
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek