kreupelbos

onzijdig (het)/ˈkrøpəlˌbɔs/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. houtige, niet zo hoge begroeiing met kromme, verstrengelde stammen en takken
    In Vessem is een munitieopslag met de grond gelijk gemaakt en ‘teruggegeven aan de natuur’. Het is nu een kreupelbos. Wel is er, voor wie goed zoekt, nog een overwoekerde bunker te vinden.
    Andrew Cozens weet precies waar de dassenburchten zitten. Hij wijst naar een kreupelbosje aan de rand van zijn erf: „Daar zitten ze.”
    De Kaap is in dit gedicht een heerlijk oord dankzij de kolonisten. Zij brachten orde, waar de oorspronkelijke bewoners slechts wanorde lieten bestaan en de natuur "onwandelbaar" was en vol van "onnutte kreupelbossen".

Vertalingen

Russischчаща