kribbelen

/ˈkrɪbələ(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. snel, slordig krassen of schrijven
    Turlututu is de hoofdpersoon die je vraagt mee te doen. Bij een tekening van een bord: "Neem een geel potlood en kribbel ermee in het bord. Voeg rode puntjes toe, enkele groene rondjes en heel veel blauwe streepjes. Vul het glas met de kleur van je lievelingsdrankje. Kleur de placemat en de bloemen. VERSLIND HET MET JE OGEN!" NRC M. van Twillert 5 april 2012 [https://www.nrc.nl/nieuws/2012/04/05/krassen-mag-1089254-a428854 Krassen mag!]
    Omdat ik het helemaal niet heb voor stug schrijvende pennen. Een pen moet me zin geven om te kribbelen. De Standaard 25 maart 2017 [http://www.standaard.be/cnt/dmf20170320_02789779 Doodegewone dingen deluxe]
    Maar ook wij die luisteren, zijn vanaf de eerste noten gebeten door de competitiegeest. De eerste kandidaat is nauwelijks vijf maten ver en we zijn al plussen en minnen aan het noteren in het programmaboek. En het gekke is: als we even om ons heen kijken, blijkt dat we lang niet de enigen zijn die driftig zitten te kribbelen. De Standaard 11 mei 2017 [http://www.standaard.be/cnt/dmf20170510_02876131 Honderd meter snarenslag: de eerste ronde]
  2. kriebelen
  3. ruzie maken

Etymologie

*(freqtt) kribben "krabben"