kuur

mannelijk/vrouwelijk (de)/kyr/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. een behandeling ter genezing van een ziekte of een ongezonde situatie (zoals een verslaving)
    Hij moest een kuur tegen verdere uitzaaiing van de kanker ondergaan.
  2. plotseling optredend vreemd gedrag
    Wat een kuren heeft dat ding.

Etymologie

* Van Latijn "cura", al dan niet via "cure" hiervan afgeleid. In de betekenis van ‘geneeswijze’ voor het eerst aangetroffen in 1350

Vertalingen

Engelstreatment, caprice, whim
Franscure, caprice, défaut
DuitsKur, Macke
Spaanscura, capricho
Italiaanscura