gril

mannelijk (de)/ɣrɪl/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. onwillekeurige rilling, vooral veroorzaakt door afschuw
    Ze kon bij die aanblik haar grillen nauwelijks de baas blijven.
zelfstandig naamwoord
  1. onredelijk en willekeurig gedrag
    Ik heb genoeg van je grillen en kuren.

Etymologie

*[C] "grillen" "roosteren" zonder de uitgang -en

Vertalingen

Engelscaprice, whim
Spaanscapricho