kwetsen

/ˈkwɛtsə(n)/

Wat is de betekenis van kwetsen?

kwetsen betekent: beschadigen, schaden

Betekenis

werkwoord
  1. beschadigen, schaden
  2. beledigen, schofferen

Voorbeelden van "kwetsen" in een zin

  • De tocht over de hobbelige keien kwetste de geplukte bosbessen die we achter in de auto hadden liggen.
  • Hij voelde zich erg gekwetst door die opmerking.

Betekenis en uitleg van kwetsen

Het woord 'kwetsen' verwijst naar het veroorzaken van pijn of letsel, zowel fysiek als emotioneel. Het kan betekenen dat je iemand pijn doet door je woorden of daden, of door iets te zeggen dat hen raakt.

Je gebruikt 'kwetsen' vaak in situaties waar gevoelens of relaties op het spel staan, zoals in persoonlijke gesprekken of conflicten. Het woord heeft een negatieve connotatie en benadrukt de impact die woorden of handelingen kunnen hebben op anderen. Het is belangrijk om bewust om te gaan met wat je zegt, om te voorkomen dat je iemand kwetst.

Voorbeelden

  • Ze voelde zich gekwetst door de scherpe kritiek van haar collega.
  • Hij was bang om haar te kwetsen, dus besloot hij zijn mening voor zich te houden.
  • Het is nooit de bedoeling om iemand opzettelijk te kwetsen, maar soms gebeurt dat onbewust.

Woordoorsprong

Het woord 'kwetsen' komt van het Oudnederlands 'quetsen', wat 'verbreken' of 'beschadigen' betekent. Het is verwant aan het woord 'kwetsbaarheid', dat verwijst naar de gevoeligheid voor schade of letsel.

Veelgestelde vragen over kwetsen

Wat is de betekenis van kwetsen?

kwetsen betekent: beschadigen, schaden

Hoeveel betekenissen heeft kwetsen?

kwetsen heeft 2 verschillende betekenissen in het Nederlands. Zie hierboven voor alle definities.

Hoe gebruik je kwetsen in een zin?

Voorbeeld: “De tocht over de hobbelige keien kwetste de geplukte bosbessen die we achter in de auto hadden liggen.

Etymologie

* Herkomst onduidelijk, mogelijk ontleend aan of beïnvloed door Oudfrans "quasser" “kwetsen, kneuzen”, “verbrijzelen” (modern Frans "casser", Picardisch "quachier"), ook in Duits "quetschen" “kneuzen” (Middelhoogduits "quetzen", "quetschen" “slaan”, “verwonden”).

Vertalingen

Engelshurt, bruise, injure
Fransblesser, endommager, blesser
Duitsverletzen, beschädigen, schaden
Spaansherir, lesionar, herir