leegganger

mannelijk (de)/ˈlexɑŋər/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. iemand die niets nuttigs doet, iemand die liever lui dan moe is
    En dat gevoel werd alleen maar erger toen ik, leegganger, op een terrasje onderweg in een petanque-minnend Nergenshuizen Johnny plots voorbij zag vlammen, woedend op de wereld, alleen en zonder rugnummer, op het eigenlijke parcours van de Tour.

Etymologie

*Samenstellende afleiding van leeg en gang