lepelsgewijs
ˈlepəlsxəˌwɛis
Wat is de betekenis van lepelsgewijs?
lepelsgewijs betekent: met telkens kleine schepjes
Betekenis
bijvoeglijk naamwoord
- met telkens kleine schepjes
- in opeenvolgende kleine hoeveelheden
- dicht opeen; in een houding op de zij, telkens met de voorzijden van hoofd, romp en benen dicht bij de achterzijden van de volgende
- met de vorm van een steel die zich tot een kommetje verbreed, zoals bij een lepel
Voorbeelden van "lepelsgewijs" in een zin
- Roer tenslotte lepelsgewijs olijfolie door de saus tot een lichtgebonden, romige saus is verkregen die pittig van smaak is.
- De slaven moesten dik wijls wegens ruimtegebrek ‘lepelsgewijs’ tegen elkaar liggen.
Etymologie
afgeleid van lepel zn met het achtervoegsel -gewijs en met met het invoegsel -s-
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek