lof
onzijdig (het)/lɔf/
Wat is de betekenis van lof?
lof betekent: iemand of iets prijzen
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- iemand of iets prijzen
- (groente) afkorting van witlof
- (religie) katholieke plechtigheid
Voorbeelden van "lof" in een zin
- De Lof is dus een religieus boek, maar niet minder een klassiek werk: het is een satire in de trant van Lucianus, van wie Erasmus immers met More enkele dialogen had vertaald - hij noemt hem ook in de begeleidende opdrachtbrief aan More - en staat in de traditie van de klassieke paradoxale of spotlofrede, een lof van dingen die oneervol zijn, zoals de Muizenkikkerstrijd die aan Homerus wordt toegeschreven, of Seneca's Apocolocyntosis, de 'verpompoening' van keizer Claudius.
- Er verschenen prijzende besprekingen van de Voorwaarden: Nicolaus Notabene kreeg de lof dat hij geen 'koppige polemist is die overal kritiek op heeft', hij heeft een 'sprankelend gemoed'.
Etymologie
*lof; verwant met lief (afkomstig van het Proto-Indo-Europees *leubh- (verzorgen, verlangen, liefhebben)).
Vertalingen
Engelspraise, honour, chicory
Franséloge, louange, endive
DuitsLob, Chicorée
Spaanselogio, endivia, escarola
Italiaanslode, elogio, insalata belga
Portugeeslouvor, chicarola
Russischпохвала
Arabischالهندبا البرّيّة
Poolscykoria
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek