make-up

mannelijk (de)/xxxx/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. cosmetica (cosmetica) schoonheidsproducten die worden gebruikt voor het in orde maken van het gezicht, ogen
    Ze gaat nooit de deur uit zonder een flinke laag make-up.
    Een overdaad aan parfums, flacons, flesjes, schoonheidscrèmes, make-up en badspullen.
    Haar huid, voorzien van make-up, was fris en glad.

Etymologie

* Leenwoord uit het Engels, in de betekenis van ‘schoonheidsmiddelen’ voor het eerst aangetroffen in 1942

Vertalingen

Engelsmakeup
DuitsMake-up
Spaansmaquillaje
Italiaanstrucco, make-up
Turksmakyaj
Zweedsmake-up