maken

/ˈmakən/

Betekenis

werkwoord
  1. ov (ov) in elkaar zetten
    Hij was een houten meubel aan het maken.
  2. ov (ov) ervoor zorgen dat iets weer werkt
    De jongen vroeg aan zijn vader of die zijn trein kon maken.
  3. ov (ov) optellen tot een bepaald bedrag
    Dat maakt dan zes euro en tien cent.
  4. ov (ov) voortbrengen, tot stand brengen, in een toestand brengen
    Deze band maakte muziek die miljoenen mensen vrolijk maakte.
    Ik was blij dat ik ook mijn ijsbijl bij me had waarmee ik me, indien nodig, kon zekeren en een nieuw spoor door de sneeuw kon maken.

Etymologie

:: maquiller (: makier)

Uitdrukkingen

  • afhandig maken
  • de koffer maken
  • de rekening maken
  • een sprong in het duister maken
  • God een vlassen baard maken
  • het niet kunnen maken
  • het bed maken
  • je weg maken

Vertalingen

Engelsdo, make
Fransfaire
Duitsmachen, reparieren, ausmachen
Spaanshacer
Russischделать, сделать
Poolsrobić, zrobić
Zweedsgöra
Deensaflægge, lave, gøre