maniak

mannelijk (de)/maniˈjɑk/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. persoon die ergens (op ziekelijke wijze) helemaal gek van is, een fanaat
  2. (in mindere mate) krankzinnige met een pathologische obsessie b.v. een godsdienstmaniak

Etymologie

* Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘iem. die een manie heeft’ voor het eerst aangetroffen in 1914

Vertalingen

Engelsmaniac
Spaansobseso