manwijf
onzijdig (het)/xxxx/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- forse, ruwe, bazige vrouwHet keerpunt, waarop ze besliste opnieuw een meisje te zijn, kwam in het eerste middelbaar: een nieuwe school, met allemaal nieuwe gezichten. Anuna kwam terecht in een klas met vrij veel jongens. ‘Op de speelplaats kwamen steeds meer jongens vragen hoe het zat: ze zeggen dat jij een meisje bent, is dat echt waar? En daarna kwamen de scheldwoorden: manwijf! Mijn vriendje werd uitgemaakt voor homo. Niet leuk voor hem, maar hij zag mij toch graag.’De Standaard 04/06/2016Uit de bronnen komt Kenau Hasselaar naar voren als een eigenzinnige, doortastende vrouw, maar niet per se als een onaangenaam manwijf. Weliswaar noemt een prentbijschrift haar ‘bolle Truy’ (dikke trien) en spreekt een rechtbankverslag niet erg lovend over een „tovenaarster”. NRC Bram de Klerck 5 maart 2014
- vrouw die er uitziet en zich gedraagt als een man
Etymologie
*Later ook in de betekenis van ‘forse, bazige vrouw’ voor het eerst aangetroffen in 1599, gespeld als "manwijf" , ook als leenvertaling van Latijn "androgynus" (uit klassiek Grieks "ἀνδρόγυνος"), eveneens Duits "Mannweib".
Vertalingen
Engelsmannish woman, butch
Franshommasse
DuitsMannweib
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek