marquise

vrouwelijk (de)/mɑrˈkizə/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. adel (adel) echtgenote van een markies (in een franstalige omgeving)
    Josseline Gaël was als ‘nichtje’ Mimosa (men weet, wat een nichtje in dit soort stukken is) charmant; ook de beide andere dames, Jeanne Grumbach als een pittige oude marquise en Hélène Maïa als de huishoudster Amélie droegen door hun voortreffelijk spel veel bij tot het succes.
  2. verouderd (verouderd) uitklapbaar zonnescherm boven een raam
    {{ouds
  3. bouwkunde, verouderd (bouwkunde) (verouderd) afdak boven een buitendeur, als bescherming tegen zon en regen bij het in- en uitstappen van een rijtuig; ook gebruikt als benaming voor vergelijkbare open constructies die tegen zon of regen beschermen
    Vlug stapte zij in den tentwagen, die onder de marquise der voorgalerij stond en reed het erf af.
  4. militair, historisch (militair) (historisch) hoge tent met een puntdak waarin je kan lopen, qua vorm vergelijkbaar met een partytent; vaak open als afdak voor de ingang van een lagere, meer gesloten tent, waarin een officier kan rusten
    {{ouds
  5. briljant die van boven gezien niet rond is, maar ellipsvormig uitgerekt eindigt in twee punten
    De cut is ook bepalend voor de prijs. (…) Je hebt een ovaal, een marquise, een princesse, een peer, een hart en een emerald.
  6. ring met een edelsteen die is geslepen in de vorm van een ellips die eindigt in twee punten
    {{ouds

Etymologie

*van "marquise"