mat
mannelijk/vrouwelijk (de)/mɑt/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (textiel) vlechtwerk of stug weefsel dat als afscherming of als beschermlaag voor een oppervlak dientHij talmde niet; met al 't geweld van zijn handen rukte hij aan de rieten mat die de loods afsloot, (…)Deze werd volgestouwd met alle tenten, kookpannen, matjes, slaapzakken en talloze andere dingen.
- (textiel), (huishouden) meestal rechthoekig stuk vloerbekledingIk zal die mat eens goed uitkloppen.
zelfstandig naamwoord
- (numismatiek) oude munt(…) die had er veel Spaanse matten aan boord (…)Tot de gangbare gouden matten behoort, althans in de eerste jaren van de 17e eeuw, de Fransche kroon van Carolus ƒ 3.1, (…)
zelfstandig naamwoord
- (voeding) klonter geronnen melk die niet meer geschikt is om kaas van te maken
zelfstandig naamwoord
- (schaak) situatie in het schaakspel waarin de koning het schaak niet meer kan ontlopen en het spel hierdoor tevens afgelopen isDit is in drie zetten mat.
zelfstandig naamwoord
- (historisch) (Nederlands-Indië) gehalte aan zuiver goud
zelfstandig naamwoord
- (sport) terrein waarop een wedstrijd in een veldsport wordt gespeeld,,In een derby zo ruim verliezen is niet prettig, ook niet als het nergens meer om gaat. Toch zijn we niet van de mat gespeeld, ondanks de uitslag”, aldus de verliezende trainer Hilbert van Gils. Tubantia Peter Eidhof 11-05-19 [https://www.tubantia.nl/amateurvoetbal/avanti-laat-niets-heel-van-sportlust-glanerbrug-1-7~a75957e5/ Avanti laat niets heel van Sportlust Glanerbrug: 1-7]
- (landbouw) (verouderd) weide, gemaaid stuk grasland
zelfstandig naamwoord
- (historisch) (Suriname) liggende balk met een tiental uithollingen waarin koffiebessen met houten stampers werden gestampt om de koffiebonen eruit te kunnen halen
Etymologie
*[H] vermoedelijk van "mata"
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek