mat

mannelijk/vrouwelijk (de)/mɑt/

Wat is de betekenis van mat?

mat betekent: (textiel) vlechtwerk of stug weefsel dat als afscherming of als beschermlaag voor een oppervlak dient

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. textiel (textiel) vlechtwerk of stug weefsel dat als afscherming of als beschermlaag voor een oppervlak dient
  2. textiel, huishouden (textiel), (huishouden) meestal rechthoekig stuk vloerbekleding
zelfstandig naamwoord
  1. numismatiek (numismatiek) oude munt
zelfstandig naamwoord
  1. voeding (voeding) klonter geronnen melk die niet meer geschikt is om kaas van te maken
zelfstandig naamwoord
  1. schaak (schaak) situatie in het schaakspel waarin de koning het schaak niet meer kan ontlopen en het spel hierdoor tevens afgelopen is
zelfstandig naamwoord
  1. historisch (historisch) (Nederlands-Indië) gehalte aan zuiver goud
zelfstandig naamwoord
  1. sport (sport) terrein waarop een wedstrijd in een veldsport wordt gespeeld
  2. landbouw, verouderd (landbouw) (verouderd) weide, gemaaid stuk grasland
zelfstandig naamwoord
  1. historisch (historisch) (Suriname) liggende balk met een tiental uithollingen waarin koffiebessen met houten stampers werden gestampt om de koffiebonen eruit te kunnen halen

Voorbeelden van "mat" in een zin

  • Hij talmde niet; met al 't geweld van zijn handen rukte hij aan de rieten mat die de loods afsloot, (…)
  • Deze werd volgestouwd met alle tenten, kookpannen, matjes, slaapzakken en talloze andere dingen.
  • Ik zal die mat eens goed uitkloppen.
  • (…) die had er veel Spaanse matten aan boord (…)
  • Tot de gangbare gouden matten behoort, althans in de eerste jaren van de 17e eeuw, de Fransche kroon van Carolus ƒ 3.1, (…)

Etymologie

*[H] vermoedelijk van "mata"