mat
mannelijk/vrouwelijk (de)/mɑt/
Wat is de betekenis van mat?
mat betekent: (textiel) vlechtwerk of stug weefsel dat als afscherming of als beschermlaag voor een oppervlak dient
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (textiel) vlechtwerk of stug weefsel dat als afscherming of als beschermlaag voor een oppervlak dient
- (textiel), (huishouden) meestal rechthoekig stuk vloerbekleding
zelfstandig naamwoord
- (numismatiek) oude munt
zelfstandig naamwoord
- (voeding) klonter geronnen melk die niet meer geschikt is om kaas van te maken
zelfstandig naamwoord
- (schaak) situatie in het schaakspel waarin de koning het schaak niet meer kan ontlopen en het spel hierdoor tevens afgelopen is
zelfstandig naamwoord
- (historisch) (Nederlands-Indië) gehalte aan zuiver goud
zelfstandig naamwoord
- (sport) terrein waarop een wedstrijd in een veldsport wordt gespeeld
- (landbouw) (verouderd) weide, gemaaid stuk grasland
zelfstandig naamwoord
- (historisch) (Suriname) liggende balk met een tiental uithollingen waarin koffiebessen met houten stampers werden gestampt om de koffiebonen eruit te kunnen halen
Voorbeelden van "mat" in een zin
- Hij talmde niet; met al 't geweld van zijn handen rukte hij aan de rieten mat die de loods afsloot, (…)
- Deze werd volgestouwd met alle tenten, kookpannen, matjes, slaapzakken en talloze andere dingen.
- Ik zal die mat eens goed uitkloppen.
- (…) die had er veel Spaanse matten aan boord (…)
- Tot de gangbare gouden matten behoort, althans in de eerste jaren van de 17e eeuw, de Fransche kroon van Carolus ƒ 3.1, (…)
Etymologie
*[H] vermoedelijk van "mata"
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek