meistreel
mannelijk (de)/ˈmɛistrel/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (middeleeuwen), (cultuur), (muziek), (verouderd) een langs kastelen en vorstenhoven in het Zuid-Frankrijk van weleer rondreizend kunstenaar, musicus, zanger van liederen en voordrager van gedichten, balladen e.d.Nog lang bleef het eigenaardige gezang van de meistreel in haar hoofd naklinken.
- (cultuur), (muziek), (verouderd) een langs herbergen, jaarmarkten rondtrekkend artiest, muzikant, zanger van liedjes en komediantMet z'n grappen en vrolijke wijsjes bracht de meistreel het publiek in een uitgelaten stemming.
Etymologie
* via Middelnederlands "menestrele" en "menestrel" "dienaar" van Latijn "ministerialis" "hofdienaar", in de betekenis van ‘troubadour’ voor het eerst aangetroffen in 1265
Vertalingen
Engelstroubadour, minstrel, troubadour
Franstroubadour, troubadour
DuitsTroubadour, Spielmann
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek