naamval

mannelijk (de)/ˈnamvɑl/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. taalkunde, grammatica (taalkunde), (grammatica) een buigingsvorm van een naamwoord, lidwoord of telwoord die de functie van dat woord in de zin aangeeft
    In het Duits worden vier naamvallen onderscheiden, namelijk de nominatief, de genitief, de datief en de accusatief.

Etymologie

* , dit laatste (sedert 1584) naast geval (1624) als leenvertaling van Latijn cāsus ‘val, naamval’, zelf weer een leenbetekenis uit Oudgrieks ptõsis ‘val, naamval’.

Vertalingen

Engelsgrammatical case
Franscas
DuitsFall, Kasus
Spaanscaso
Italiaanscaso
Portugeescaso
Japans格変化
Poolsprzypadek
Zweedskasus