natuurvolk
onzijdig (het)/xxxx/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (cultuur) (historiografie) (antropologie) volk/bevolkingsgroep, meestal zonder geschreven traditie, die zogenaamd dichter bij de natuur zou zijn, op grond van hun vermeende, primitieve opvattingen, samenlevingsvorm of technologieHet oude hoofdthema van alle wonderdoenerij, dat wij in zijn vollen wasdom zien, waar de medicijnman der natuurvolken het in praktijk brengt bij zijn geneeskuren: nl. het door de lucht vliegen, om geesten te consulteeren, is het speciale domein van Moggallâna's wonderkracht. Dat vliegen speelt ook buitendien in de Buddhistische verhalen een grooten rol.
Etymologie
* Ontleend aan Duits "Naturvolk"
Vertalingen
Engelsprimitive people
Franssociété sans histoire
DuitsNaturvolk
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek