nazeggen

/xxxx/

Betekenis

werkwoord
  1. herhalen wat iemand anders al gezegd heeft, bevestigen wat iemand anders al gezegd heeft
    Een rekensom, samen met de -uitsluitend- mannelijke kinderen, kunnen ze sneller oplossen dan de leerkracht. 1.000 euro voor de groepspot. De taalopdracht was moeilijker. Annelies moest de kinderen een aantal woorden in het Nederlands bijbrengen. Wisten ze het woord tijdens de ondervraging niet meer, dan kon Annelies aanvullen in de plaatselijke taal. Het woord ‘landkaart’ konden de kinderen niet meer nazeggen, en Annelies had haar woordjes niet vanbuiten geleerd. De Zuid-Afrikaanse juf had haar Nederlandse woorden wél allemaal juist. En zo laat Annelies 1.000 euro liggen. Davey neemt het samen met een paar van de stoerste jongens in een partijtje touwtrekken op tegen de gespierde sportleerkrachten. Het gaat gelijk op, en dan gaan de leerkrachten toch overstag. Davey en de kinderen: 1.000 euro. de Standaard 27/03/2017 door Marie Garré
    Maar weinig hoge managers in het bedrijfsleven kunnen het hem nazeggen: ING's cio Peter Jacobs promoveerde cum laude in de systeemkunde. ,,Dat is een kruising van software engineering en econometrie", licht de Limburger zijn vakgebied toe. ,,Je kunt er onder andere logistieke modellen voor de Rotterdamse haven of Schiphol mee schrijven." Tubantia David Bremmer 13-07-2017

Vertalingen

Engelsrepeat, parrot
Fransrépéter
Duitsnachsagen
Spaansréitérer, reiterar, repetir