nazireeër

mannelijk/vrouwelijk (de)/naziˈrejər/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. iemand die om godsdienstige redenen een gelofte heeft afgelegd tot bepaalde onthoudingen, waaronder het drinken van alcoholische drank en het knippen van het hoofdhaar (Num. 6:1-6)

Etymologie

* Herkomst: Hebreeuws (vernederlandste vorm)