negenoog
mannelijk/vrouwelijk (de)/ˈneɣənˌox/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (medisch) steenpuist omgeven door andere steenpuisten die ineenvloeien
- (kaaklozen) benaming voor riviervissen uit de familie
Etymologie
*, in de betekenis van ‘kaakloze vis’ voor het eerst aangetroffen in 1477
Vertalingen
Spaanslamprea
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek