prik

mannelijk/vrouwelijk (de)/prɪk/

Wat is de betekenis van prik?

prik betekent: doorboring van een vlies (meestal de huid) met een scherp (meest naaldvormig) voorwerp

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. doorboring van een vlies (meestal de huid) met een scherp (meest naaldvormig) voorwerp
  2. injectie
  3. de prikkelende actie van opborrelend koolzuurgas in een limonade
  4. kaaklozen (kaaklozen) benaming voor langgerekte visachtig dieren uit de familie , ongewerveld maar wel behorend tot de chordadieren

Voorbeelden van "prik" in een zin

  • Au! Die doren gaf me een akelige prik!
  • Hij heeft nog geen prik gehad voor die ziekte.
  • Wil je limonade met of zonder prik?

Etymologie

* In de betekenis van ‘kaakloze vis’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1390

Uitdrukkingen

  • vaste prikeen gewoonte

Vertalingen

Engelssting
Spaanspicadura, inyección, lamprea
Poolszastrzyk