prik
mannelijk/vrouwelijk (de)/prɪk/
Wat is de betekenis van prik?
prik betekent: doorboring van een vlies (meestal de huid) met een scherp (meest naaldvormig) voorwerp
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- doorboring van een vlies (meestal de huid) met een scherp (meest naaldvormig) voorwerp
- injectie
- de prikkelende actie van opborrelend koolzuurgas in een limonade
- (kaaklozen) benaming voor langgerekte visachtig dieren uit de familie , ongewerveld maar wel behorend tot de chordadieren
Voorbeelden van "prik" in een zin
- Au! Die doren gaf me een akelige prik!
- Hij heeft nog geen prik gehad voor die ziekte.
- Wil je limonade met of zonder prik?
Etymologie
* In de betekenis van ‘kaakloze vis’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1390
Uitdrukkingen
- vaste prik — een gewoonte
Vertalingen
Engelssting
Spaanspicadura, inyección, lamprea
Poolszastrzyk
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek