nestelen
/ˈnɛstələ(n)/
Betekenis
werkwoord
- (inerg) het bouwen van een nest en het grootbrengen van jongen erin, gewoonlijk van vogelsOp die rots nestelen honderden zeekoeten.
- (refl) zich ~: plaatsnemen en het zich behaaglijk maken
Etymologie
*van het Middelnederlands "nestelen" , maar via de wortels in het Protogermaans op te vatten als (freqtt) nesten
Vertalingen
Engelsnest
Fransnicher
Duitsnisten
Spaansanidar
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek