neus

mannelijk (de)/nøs/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. anatomie (anatomie) orgaan dat gebruikt wordt bij de ademhaling en om te ruiken
    Mensen halen meer adem via hun neus dan via hun mond.
    Haar neus ligt bijna op de stuurpen als ze de laatste krachten in het geteisterde gestel aanspreekt.
    Ik nam een selfie (voor de Southern Terminus), deed met veel moeite mijn rugzak om, draaide mijn neus richting Canada en begon te lopen.
  2. metonymisch (metonymisch) het reukvermogen
    Je hebt er echt een neus voor!
  3. figuurlijk (figuurlijk) het voorste deel van bepaalde voorwerpen
    De neus van het vliegtuig was beschadigd.

Etymologie

* In de betekenis van ‘reukorgaan’ voor het eerst aangetroffen in 1236

Uitdrukkingen

  • bij de neus nemen
  • Doen alsof je neus bloedtDoen alsof je van niets weet of iets belangrijks niet opmerkt, wegkijken (lett: het hoofd wegdraaien, zoals men meestal ook doet bij een bloedneus)
  • Een bril op de neus krijgenGeen vrij uitzicht of vrije ruimte meer hebben
  • Een lange neus makenDe tong uitsteken, iemand iets inpeperen (Jaloers maken)
  • Een wassen neus
  • Ergens zijn neus voor ophalen/optrekkenZich te goed vinden om iets te doen
  • Geen knip voor de neus waard zijnZijn vak niet kennen en er geen verstand van hebben
  • Het deksel op de neus krijgenTegenslag ondervinden, niet zijn zin krijgen

Vertalingen

Engelsnose, peak, point
Fransnez
DuitsNase
Spaansnariz, cima, extremo
Italiaansnaso
Portugeesnariz
Russischнос
Chinees鼻子
Japans
Koreaans
Turksburun
Poolsnos
Zweedsnäsa
Deensnæse