noodzaak

mannelijk/vrouwelijk (de)/ˈnotzak/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. iets moeten hebben voor vaak praktische of medische redenen
    Insuline krijgen is een noodzaak voor diabetespatiënten.
    Ik moest alles opschrijven, hoewel ik besefte dat de noodzaak van het vertellen, in de woorden van Aeneas tot Dido, het verdriet zou verversen. Maar ik moest boekstaven om de rekening te kunnen opmaken.
    Daarnaast is er de harde realiteit dat in de verhoudingen tussen steden en staten, als de noodzaak een beroep te doen op het recht en de bestaande wetten voor beide partijen ongelijk is, het recht uit macht voortkomt.

Vertalingen

Engelsnecessity
DuitsNotwendigkeit