nood

mannelijk (de)/not/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. levensbedreigende situatie waaruit men zichzelf niet meer kan redden en onmiddellijke hulp vereist is
    De passagiers van het in nood verkerende schip konden allen gered worden.
  2. gebrek, een tekort aan iets
    In het journaal van de VRT werd gezegd dat er nood is aan parkeerplaatsen.
  3. tijdelijk ongemak
    De stroomvoorziening is uitgevallen, geen nood, we behelpen ons wel met olielampen.

Etymologie

* In de betekenis van ‘dwang der omstandigheden, gebrek’ voor het eerst aangetroffen in 1100

Uitdrukkingen

  • nood leert bidden.in nood leert men anderen om hulp vragen
  • Nood breekt wetIn geval van nood dient hoe dan ook hulp geboden te worden, desnoods tegen de geldende regels in
  • De noodklok luidenDe aandacht vestigen op een onhoudbare toestand/benarde situatie
  • Van de nood een deugd makenIn een noodgedwongen situatie, toch iets nuttigs doen
  • Als de nood aan de man komtGeen nood zo hoog, of er is wel een oplossing
  • Als de nood het hoogst is, is de redding nabijLaat de moed niet zakken, nog is er kans op hulp
  • In nood leert men zijn vrienden kennenVrienden genoeg als het je voor de wind gaat, maar wie helpt je als het wat minder gaat?
  • Hoge nood hebbenNodig naar het toilet moeten

Vertalingen

Engelsemergency, distress, need
Fransdétresse, besoin
DuitsNot, Not
Spaansmiseria, emergencia, desastre