oefenen

/xxxx/

Betekenis

werkwoord
  1. ov (ov) proberen zonder fouten uit te voeren, leren door te doen
    De solist was zijn solo aan het oefenen voordat hij een concert gaf.
    Zelf zal hij zich daarom juist steeds meer oefenen in de kunst van het aforismen schrijven - een kunst die hij wel vergelijkt met het slijpen van edelstenen of het bewerken van edelmetaal - om daarmee zijn lezers uit te dagen en te selecteren.
    Thea's enige taken waren oefenen op de luit en haar mooiste jurk aantrekken.

Etymologie

* In de betekenis van ‘door herhaling bekwaam maken of worden’ voor het eerst aangetroffen in 1265

Vertalingen

Engelsexercise, practice, practise
Spaansejercitar, practicar