oefenen

/xxxx/

Wat is de betekenis van oefenen?

oefenen betekent: (ov) proberen zonder fouten uit te voeren, leren door te doen

Betekenis

werkwoord
  1. ov (ov) proberen zonder fouten uit te voeren, leren door te doen

Voorbeelden van "oefenen" in een zin

  • De solist was zijn solo aan het oefenen voordat hij een concert gaf.
  • Zelf zal hij zich daarom juist steeds meer oefenen in de kunst van het aforismen schrijven - een kunst die hij wel vergelijkt met het slijpen van edelstenen of het bewerken van edelmetaal - om daarmee zijn lezers uit te dagen en te selecteren.
  • Thea's enige taken waren oefenen op de luit en haar mooiste jurk aantrekken.

Betekenis en uitleg van oefenen

Oefenen betekent dat je iets herhaaldelijk doet om je vaardigheden of kennis te verbeteren. Het is een actieve manier om te leren, waarbij je fouten maakt en daarvan leert.

Je gebruikt het woord 'oefenen' vaak in verband met activiteiten zoals sporten, muziek maken of studeren. Het benadrukt het belang van herhaling en toewijding om beter te worden in iets. Oefenen kan zowel individueel als in groepsverband plaatsvinden en is cruciaal voor persoonlijke ontwikkeling.

Voorbeelden

  • Hij besloot elke avond te oefenen op zijn gitaar om beter te worden voor het concert.
  • De kinderen oefenden hun dansroutine meermaals voordat ze optraden voor hun ouders.
  • Zij moet elke week wiskunde-oefeningen maken om de stof beter te begrijpen.

Woordoorsprong

Het woord 'oefenen' komt van het Middelnederlandse 'oeffen', wat 'uitvoeren' of 'beoefenen' betekent. Het is verwant aan het woord 'oefening', dat de handeling van oefenen beschrijft.

Veelgestelde vragen over oefenen

Wat is de betekenis van oefenen?

oefenen betekent: (ov) proberen zonder fouten uit te voeren, leren door te doen

Wat zijn synoniemen van oefenen?

Synoniemen van oefenen zijn: uitproberen.

Hoe gebruik je oefenen in een zin?

Voorbeeld: “De solist was zijn solo aan het oefenen voordat hij een concert gaf.

Etymologie

* In de betekenis van ‘door herhaling bekwaam maken of worden’ voor het eerst aangetroffen in 1265

Vertalingen

Engelsexercise, practice, practise
Spaansejercitar, practicar