oma

vrouwelijk (de)/ˈoma/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. familie (familie) moeder van een ouder
    Wat mij altijd opvalt aan Marie-Claire is dat wanneer zij praat, het lijkt alsof er zes mensen aan het woord zijn: Claire de familieoudste, Claire de oma van Nikki, Claire de diepbedroefde moeder van Lauren en Casper, Claire de weduwe van Arend, Claire de grootaandeelhouder van Van Alphen, Claire die op haar oude dag volgens alle maatstaven nog steeds een aantrekkelijke vrouw is.

Etymologie

*vermoedelijk ontstaan in kindertaal uit grootma, in de betekenis van ‘grootmoeder’ aangetroffen vanaf 1872

Vertalingen

Engelsgrandmother
Fransgrand-mère
DuitsGroßmutter, Omi, Oma
Spaansabuela
Italiaansnonna
Portugeesavó
Russischбабушка
Japansお婆さん
Koreaans할머니
Arabischجدة
Turksbüyükanne, nine
Poolsbabcia, babka, babunia
Zweedsfarmor, mormor
Deensbedstemor