grootmoeder
vrouwelijk (de)/ˈɣrotmudər/
Wat is de betekenis van grootmoeder?
grootmoeder betekent: (familie) de moeder van een ouder
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (familie) de moeder van een ouder
- paternale grootmoeder: moeder van vader
- maternale grootmoeder: moeder van moeder
Voorbeelden van "grootmoeder" in een zin
- Ik ben grootgebracht in hetzelfde huis waarin mijn grootmoeder woonde, zij boven, wij beneden.
- De moeder van 11 kinderen had pas op latere leeftijd het wandelen ontdekt. Toen ze eenmaal ging lopen was ze al grootmoeder van 23 kleinkinderen.
Etymologie
* In de betekenis van ‘moeder van iemands vader of moeder’ voor het eerst aangetroffen in 1482
Vertalingen
Engelsgrandmother
Fransgrand-mère
DuitsGroßmutter, Omi, Oma
Spaansabuela
Italiaansnonna
Portugeesavó
Russischбабушка
Japansお婆さん
Koreaans할머니
Arabischجدة
Turksbüyükanne, nine
Poolsbabcia, babka, babunia
Zweedsfarmor, mormor
Deensbedstemor
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek