omdraaien
/ɔmdrajə(n)/
Betekenis
werkwoord
- (erga) een halve slag draaienHet oliebol was vanzelf omgedraaid.
- (ov) een halve slag doen draaienHij draaide de bladzijde om.
- (ov) in het tegenovergestelde doen veranderenTV-station Fox draait de zaak om: ze gaat de reclame onderbreken door programma's, om kijkers vast te houden
- naar de tegenovergestelde richting gaanOmdraaien was al helemaal geen optie omdat dit de enige route was om het dal te bereiken.
- (refl) zich ~: een halve draai om zijn as makenHij draaide zich aarzelend om en tuurde naar de plaats waar hij vandaan gekomen was. {{Aut|Herzen, FrankAlbert stond in derde positie, achter Berry en de jonge Péricourt, die zich omdraaide als om na te gaan of iedereen er wel was {{Aut|Lemaitre, Pierre
- als centraal punt hebbenTijdens Johnsons termijn als premier stapelden de schandalen zich langzaam op. Het merendeel vond plaats in de categorie 'partygate'. Die zaak draait om verboden feestjes op het kantoor van Johnson tijdens coronalockdowns.
Vertalingen
Engelsturn around
Franstourner
Duitsumdrehen
Spaansvolver, retorcer
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek