omstreeks

/ˈɔmstreks/

Betekenis

voorzetsel
  1. in de buurt van (gevolgd door een zelfstandig naamwoord, dat vaak een tijdstip aanduidt)
    Het was omstreeks de eeuwwisseling, toen Wil Albeda dacht dat hij doodging.
    In de Grieks-en in de Rooms-Katholieke kerk werd hij vereerd. Reeds in de negende eeuw breidde zijn roem zich uit van Klein-Azië naar Italië en omstreeks het jaar duizend zelfs over de Alpen.

Etymologie

**: als voorzetsel aangetroffen vanaf 1776