omzet

/ˈɔmzɛt/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. economie (economie) som van alle bruto-opbrengsten (exclusief btw) uit verkoop over een bepaalde periode
    Bij veel beursgenoteerde bedrijven blijkt de bonus van bestuurders gebaseerd op maatstaven als omzet en winst. Het zijn factoren die gemakkelijk te masseren zijn, weinig zeggen over de prestaties van bestuurders en verkeerd gedrag kunnen uitlokken
    De tabaksverkoop maakt een flink deel uit van de omzet van pompshops

Etymologie

*, ómzet: zonder de uitgang -en

Vertalingen

Engelssale, turnover
Spaansmovimiento de caja