ontvangst

vrouwelijk (de)/ɔntˈfɑŋst/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. verwelkoming, onthaal
    Wist de miniatuurmaakster toen al wie ik was? Wist ze dat ik uitkeek naar een kamer, een schrijftafel en een vel papier om mijn onbevredigende ontvangst mooier te omschrijven dan ze in werkelijkheid was? Ze pakt een vel papier, doopt haar pen in de inkt en begint aan haar brief: Geachte mijnheer Windelbreke, Ik stuur u deze brief omdat ik informatie wil over een vroegere leerlinge van u.
    Bij onze ontvangst in het hotel kregen we allerlei hapjes.
  2. het ontvangen van iets
    Op de Oost Kinderdijk werd een paar dagen later een brief van de Aardema's bezorgd, waarin tante Marie schreef dat ze direct na ontvangst van mijn moeders briefkaart had willen terugschrijven, maar een dag had gewacht omdat ze geen woorden had kunnen vinden om te laten weten hoe zij met ons meeleefden: Meisje, wat heb je moeten lijden en nu moet je verder zonder je Piet.
    Ik zie weer voor me hoe de pastoor verward naast me schoof en met me meeboog om het applaus van de menigte in ontvangst te nemen.
    De ontvangst van het geld verliep vlotjes.

Etymologie

* van ontvangen

Uitdrukkingen

  • in ontvangst nemeninnen, ontvangen, incasseren, toucheren