oom
mannelijk (de)/om/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (familie) broer of zwager van iemands vader of moederDat was eene sware dinc. Sconincs wijf was een jodinne. Doet Mardocheus wiste, hare oom, Was hi drouve in sinen sinnIk had het hoofdstuk over het huwelijk uit De profeet al vaker gehoord tijdens bruiloften, voorgelezen door een trotse oom of vader.
Etymologie
:: iem (Oudfries: ēm)
Vertalingen
Engelsuncle
Fransoncle, tonton
DuitsOnkel
Spaanstío
Italiaanszio
Portugeestio
Turksamca
Poolswuj
Zweedsfarbror, morbror, onkel
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek