opa

/ˈopa/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. familie (familie) de vader van een ouder
    Na school ging de jongen altijd bij zijn opa langs.
    'Je was négen toen hij overleed ' 'Blijkbaar vond opa dat je nooit te jong kon zijn om belangrijke zaken te leren,' zegt Nikki leep, een uitspraak die de gemoederen aan tafel een beetje bedaart, want er wordt zowaar weer wat geglimlacht.
    Er was niets aan te doen, hoe lief we opa ook tegen haar hoorden praten.

Etymologie

* In de betekenis van ‘grootvader’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1897

Vertalingen

Engelsgrandfather
Fransgrand-père
DuitsGroßvater, Opa
Spaansabuelo
Italiaansnonno
Portugeesavô
Russischдед, дедушка
Chinees爺爺, 爷爷, 外公
Japansお爺さん
Koreaans할아버지
Arabischجد
Turksdede
Poolsdziadek
Zweedsmormor, farfar, morfar
Deensbedstefader, bedstefar