openbreken

/ˈopə(n)ˌbrekə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. erga (erga) al brekend opengaan
    De zaaddoos brak open en de zaden vielen op de grond
  2. ov (ov) door breken met geweld openmaken
    we moeten die kast openbreken want de sleutel is verdwenen
  3. ov, figuurlijk (ov) (figuurlijk) voortijdig wijzigingen aanbrengen in
    Mijn baas wil mijn tijdelijke jaarcontract openbreken en met een halfjaar verlengen

Uitdrukkingen

  • breek me de bek niet open