openen

/ˈopənə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. ov (ov) laten beginnen, in bedrijf brengen
    Hij opende het vuur op het vijandelijke leger.
    In 1989 nam Henriroux de zaak over. 'We zijn trots op onze geschiedenis, maar proberen altijd vooruit te denken', zegt hij. Henriroux opende een hotel en een tweede restaurant waar je goed kunt eten tegen redelijke prijzen.
    Ik bladerde erdoorheen en las eindeloze verhalen over hoe geweldig die burger was: ‘Goddelijk – al dat lopen waard’, ‘Drie Michelinsterren’, ‘Nog nooit zo’n grote burger gezien’ en ‘Ik ga een franchise openen in Londen’.
  2. ov (ov) ontsluiten, openmaken wat afsluit of wat gesloten is
    Open jij het slot even?
    Terwijl ik goedkeurend met mijn vinger langs de vergulde lambrisering streek, de dikte voelde van de stof van de zware, oker overgordijnen en de stoel wegschoof om de openslaande deuren te openen naar het terras, dat uitzicht bood op de rozentuin, of wat daarvan over was, en de vijver met de defecte fontein, bedacht ik dat ik nog tijd genoeg zou hebben om deze kamer en detail te beschrijven.
    Ik heb het alleen-zijn ervaren als een heel positieve kracht die veel onverwachte deuren voor me heeft geopend.
  3. ov (ov) openstellen, toegankelijk maken
    Gisteren is het jachtseizoen geopend.
  4. ov, informatica (ov) (informatica) een bestand inladen
    Ga naar het bureaublad en open het EXE-bestand.
  5. refl (refl) zich ~
    Bij dageraad openen zich al de bloemen.

Etymologie

*afgeleid van open

Vertalingen

Engelsopen, open, open
Fransouvrir, ouvrir, ouvrir
Duitseröffnen, öffnen, öffnen
Spaansabrir, abrir, abrir
Portugeesabrir
Zweedsöppna, öppna, öppna