ophouden

/ˈɔphɑudə(n)/

Wat is de betekenis van ophouden?

ophouden betekent: (intr), (onpr) een einde nemen, stoppen [4]

Betekenis

werkwoord
  1. intr, onpr (intr), (onpr) een einde nemen, stoppen [4]
  2. erga (erga) ~ met, ~ te: een activiteit beëindigen, stoppen [5]
  3. refl (refl) zich bezighouden met
  4. ov (ov) (ongebruikelijk) omhoog houden
  5. ov (ov) trachten te geven
  6. ov (ov) openhouden
  7. ov (ov) tegenhouden
  8. ov (ov) beletten verder te gaan
  9. refl (refl) zich ~: zijn

Voorbeelden van "ophouden" in een zin

  • De regen is eindelijk opgehouden.
  • Hij hield op met spreken.
  • Hij at een hamburger, dronk een Budweiser en vertelde me toen plompverloren dat hij ermee ophield.
  • Voor Lauritz was het licht minder romantisch. In de midzomertijd werd als het weer het toeliet het hooi binnengehaald op Osteroy. Of liever gezegd, als het weer het toeliet werkte je dag en nacht zonder ophouden om klaar te zijn voor de volgende regenbui.
  • Ze hield het bordje met 8 op.

Vertalingen

Engelscease, end up
Fransarrêter, cesser
Duitsaufhören
Spaanscesar