opkikker

mannelijk (de)/ˈɔpkɪkər/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. iets waarvan je je beter gaat voelen als je moe, depressief of op een andere manier niet helemaal lekker bent
    Kramer was ook niet eens zo ontevreden over zijn eigen race. Hij had hem wel wat harder kunnen „aanvallen”. Wat meer moeten versnellen per ronde gedurende de race. Of nou ja, in ieder geval wat minder langzaam. „Jorrit pakte op een gegeven moment steeds een tiende op me.” Of deze overwinning voor Bergsma nou een „mentale opkikker” was, wordt Kramer gevraagd. Die glimlacht. „Die had hij nodig, ja.” Het is te vroeg om te zeggen dat de tien kilometer nu weer van Bergsma is. Vindt ook Bergsma zelf. „Maar het begint er in ieder geval weer op te lijken.” NRC Frank Huiskamp 30 december 2016
  2. borreltje of ander (alcoholisch) drankje
    Wij dronken een paar koppen sterke koffie als opkikkertje.
  3. stomp of klap

Etymologie

* van opkikkeren