opkomst
vrouwelijk (de)/ˈɔpkɔmst/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (geschiedenis) de toename in belang van een staat, stand, technologie of organisatieDe opkomst van de burgerij was met name in de Vlaamse steden van groot politiek belang.De Nationale 7 is verbonden met de opkomst van de auto in de jaren twintig en dertig. Destijds hadden auto's kleine brandstoftanks en gingen ze vaak kapot. Daarom barst het langs de route van de pompstations en garages, veelal opgetrokken in een betonnen art-decostijl, destijds het toppunt van moderniteit. Vele zijn vervallen, sommige zijn gerestaureerd, zoals een klassiek pompstation in Valence. Het mooiste voorbeeld van deze stijl ligt strikt genomen niet aan de Nationale 7: de Citroëngarage in Lyon.
- (politiek) de mate waarin de kiesgerechtigden gebruik maken van hun stemrecht in een verkiezingDe opkomst was bedenkelijk laag bij deze verkiezingen.
- (astronomie) het boven de horizon verschijnen van een hemellichaamDe opkomst van de zon is vandaag om 5u 13.
- (scouting) een periodieke bijeenkomst van een scoutinggroepDe opkomst van deze week heeft als thema routetechnieken.
Etymologie
* van opkomen
Vertalingen
DuitsAufstieg, Wahlbeteiligung, Aufgang
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek