oplichting
vrouwelijk (de)/ˈɔplɪxtɪŋ/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- bedrog waarbij men iemand geld of goed afhandig weet te makenHij was betrokken in vele zaken met betrekking tot oplichting, dus dat is niet iemand waar je zaken mee wilt doen.“We menen dat Milei deel uitmaakt van een organisatie die oplichting organiseert op historisch grote schaal.” [https://www.parool.nl/wereld/miljardenfraude-met-cryptomunt-kan-duur-uitpakken-voor-argentijnse-president-milei~b213e4b95/ www.parool.nl (24 feb 2025)]
Vertalingen
Engelsswindle
Fransescroquerie
DuitsBetrug, Schwindel
Spaansestafa
Italiaansfrode, truffa
Poolsoszustwo
Zweedsbedrägeri
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek